De mijnbouwperiode in het Ertsgebergte in een oogopslag

De rijkdom aan ertsen en de daarop berustende mijnbouw gaven het Ertsgebergte zijn naam en legden er de grondslag voor dat het Ertsgebergte zich aan zowel als de Boheemse kant tot economische, culturele en bij tijd en wijle ook politiek vooraanstaande regio’s in centraal Europa ontwikkelde. De mijnbouw bepaalt sinds eeuwen het landschap en de cultuur in de regio. Bij beïnvloedde niet alleen de economische en culturele ontwikkeling van de landen Saksen en Bohemen, maar had ook invloed op andere mijnbouwregio’s, zowel nationaal als internationaal.

Tot dusver konden er zes mijnbouwperioden worden aangetoond tussen de 12e en de 21e eeuw, die een meer dan 800-jarige geschiedenis laten zien van de mijnbouw in het Ertsgebergte en zijn betekenis voor de ontwikkeling van het door de mijnbouw gekarakteriseerde cultuurlandschap.

De eerste mijnbouwperiode: begin van de mijnbouw (1168-1450)

De eerste agrarische nederzetting van het destijds nog als Boheems Gebergte, Boheemse Woud of Miriquidi (Donkerwoud) aangeduide Ertsgebergte vond plaats sinds het midden van de 12e eeuw.
Marktgraaf Otto von Meißen (1125-1190) liet tussen 1156 en 1162 in de omgeving van de rivierdalen van de Freiberger Mulde en Striegis het oerwoud rooien en er meerdere bosdorpen voor het klooster Altzelle aanleggen: daaronder Tuttendorf, Berthelsdorf en Christiansdorf. In 1168 werd er Christiansdorf zilvererts ontdekt. Deze ontdekking veroorzaakte een zich snel verspreidend “Berggeschrey” (mijnbouwgeschreeuw).

Weiter

De marktgraaf ruilde vervolgens de drie dorpen terug en bewerkstelligde het regaalrecht om op die manier over de in zijn land aanwezige, eigenlijk onder het Koninklijke Bergregaal vallen de bodemschatten, daaronder vooral het zilver, zelf te kunnen beschikken. De informatie over het rijkdom belovende zilvervondsten lokte talrijke mijnwerkers aan, vooral uit Zuid-Duitsland en de Harz, die op hun hielen gevolgd werden door handelaren en handwerkers met hun familie, die zich in het Ertsgebergte vestigden. De garantie van bijzondere vrijheden voor de mijnwerkers zoals o.a. de vrijheid van persoon en de ontheffing van diverse verplichte afdrachten en diensten, bevorderden de toestroom in de bevolking nog extra. Vooral de door Marktgraaf Otto ingevoerde berg(bouw)vrijheid zorgde voor een stroom aan ervaren mijnwerkers. Iedereen mocht naar het begeerde zilvererts graven en iedereen kon tegen een dienovereenkomstige vergoeding een bevoegdheid krijgen om te delven. Het gedolven en opgewerkte zilver mocht echter uitsluitend aan de Munt van de marktgraaf worden verkocht.

Door de immigratiegolf ontwikkelde zich uit de voormalige agrarische nederzetting Christiansdorf binnen twee decennia de hoogmiddeleeuwse stad Freiberg (de vrije berg), die door de eeuwen heen de qua oppervlakte grootste en dichtst bevolkte stad van het Ertsgebergte was. Het „ius Fribergensis“, het beroemde Freiberger stads- en mijnrecht, voor het eerst in 1233 vermeld, werd vanaf 1307 inmiddels in schriftelijke vorm van groot belang voor het Ertsgebergte. In 1267 werd het zilver uit Freiberg in het “boek der mineralen” (Dominicaanse monnik Albertus Magnus) als de “zuiverste en beste soort zilver” aangeduid.

De Freiberger mijnbouw is de oudste in oorkonde gedocumenteerde en belangrijkste mijnbouw in het Ertsgebergte. Reeds vroegtijdig echter, en ten dele gelijktijdig met en onafhankelijk van de mijnbouw in de regio Freiberg, werd er met de mijnbouw in andere plaatsen in het Ertsgebergte begonnen, zo bijv. in de 12e eeuw opgerichte mijnbouwstad Dippoldiswalde. In de daarop volgende anderhalve eeuw verspreidde de mijnbouw zich aan de noordelijke kant van het Ertsgebergte. In 1387 werd er voor eerst een ertsmijn in het latere gebied Brand-Erbisdorf vermeld. Andere mijnbouwgebieden ontstonden onder andere in Nossen en in het Hohe Forst bij Schneeberg.

Op de zilvermijnbouw volgde op zijn laatst in de 13e en 14e eeuw de tinertsmijnbouw, aan beide kanten van de kam van het Ertsgebergte. In oorkonden wordt de tinertswinning bij Ehrenfriedersdorf  in 1293 vermeld en de tinertsmijnbouw bij Graupen (Krupka) in 1305. Het in het Ertsgebergte beïnvloedde in 1241 de in Europa vooraanstaande metaalmarkt van Keulen in aanzienlijke mate. De belangrijkste tinvindplaats in deze periode was vanaf 1436 de “Zwitterstock” van Altenberg. Deze tinvindplaats ontwikkelde zich in de loop van de eeuwen tot een van de belangrijkste tinmijnbouwgebieden van Europa. Gedurende deze eerste periode van 1168 tot het midden van de 15e eeuw begon bovendien de ertsdelving evenals het aanmaken en verwerken van koper en ijzer in de gehele regio.

De tweede mijnbouwperiode: Stadsstichtingen en bloeiperiode (1450-1620)

Sinds het midden van de 15e eeuw breidde de zoektocht naar zilverertsvoorraden zich uit naar de ten zuidwesten van Freiberg gelegen gebieden in het hoge Ertsgebergte en leidde tot een nieuwe bloeiperiode in de zilverproductie in het Ertsgebergte. Rijke zilvervindplaatsen werden in 1470 in Schneeberg, 1491/92 aan de Schreckenberg in het huidige Annaberg-Buchholz evenals 1516 bij St. Joachimsthal (Jáchymov) in het Boheemse gedeelte van het Ertsgebergte ontdekt. Talrijke nieuwe zilvergroeves werden binnen korte tijd aangelegd en leidden tot een tot dat moment ongekende bloei van de mijnbouw in het Ertsgebergte.

Weiter

In het vervolg van de toenemende mijnbouwactiviteiten ontstonden er in het gehele Ertsgebergte in de buurt van de nieuw ontdekte ertsvindplaatsen nieuwe ten dele volgens plan aangelegde bergsteden. Hiertoe behoorden o.a. belangrijke mijnbouwsteden zoals Schneeberg, Annaberg, Marienberg aan de Saksische kant of de mijnbouwstand Platten (Horní Blatná) aan de Boheemse kant. In totaal werden er binnen enkele decennia op basis van de mijnbouw het grootste gedeelte van de ongeveer 30 mijnbouwsteden aan de Saksische en 20 aan de Boheemse kant van het Ertsgebergte gesticht, waardoor het Ertsgebergte zich ontwikkelde tot de dichtst bewoonde middengebergtes van Europa met een wereldwijd uniek aantal mijnbouwsteden. Uitgerust met een reeks van privileges (bijv. het markt-, brouw-, uitschenk- en slachtrecht) lokten deze nieuwe steden naast mijnwerkers en hun gezinnen vooral ook handwerkers en kooplieden aan evenals kunstenaars en geleerden. Vooral de grotere mijnbouwsteden zoals Freiberg, Annaberg, Marienberg, Schneeberg of St. Joachimsthal (Jáchymov) ontwikkelden zich hierbij niet alleen tot economische, maar ook tot intellectuele, wetenschappelijke en culturele centra, waar talrijke indrukwekkende sacrale en profane gebouwen werden gesticht.

Maar niet alleen de stichting en snellen ontwikkeling van nieuwe mijnbouwsteden is kenmerkend voor de tweede hoofdperiode van de mijnbouwgeschiedenis in het Ertsgebergte. Het ontsluiten van nieuwe ertsvindplaatsen in het hoog gelegen gedeelte van het Ertsgebergte ging gepaard met invoering van nieuwe delvingstechnologieën,  die het delven en het ontsluiten van dieper gelegen ertsafzetting mogelijk maakte. Daardoor werden de investeringen van kooplieden, keurvorsten en hertogen in de mijnbouw steeds belangrijker.

De gestegen kapitaalstoestroom leidde tot een intensivering van de afgravingswerkzaamheden en tot het ontdekken van nieuwe rijke ertsgangen. Pas deze toestroom aan kapitaal maakte de bouw en het productieve gebruik van nieuwe technologieën mogelijk evenals van winnings-, waterhevel- en opwekkingsmachines, die een veel diepere delving van de vindtplaatsen ook onder moeilijke omstandigheden mogelijk maakte. Het name de vindingstechniek en het waterbeheer boekten na 1470 enorme vooruitgang, terwijl het mijnwerk van de mijnwerkers in de mijn in vergelijking met vroegere eeuwen nauwelijks veranderde.

Het in het Ertsgebergte gewonnen zilver werd in de Munten van Freiberg, Annaberg, Buchholz, Schneeberg, St. Joachimsthal (Jáchymov) en later aan de Saksische kant in Dresden in muntgeld geslagen, waarbij vooral de 1519/20 door de Graaf Schlick in St. Joachimsthal (Jáchymov) geslagen „Joachimsthaler“ voor het Europese evenals voor het wereldwijde muntwezen belangrijk werd. Niet alleen in de mijnbouwsteden ontstonden er in deze periode veel representatieve gebouwen op grond van de inkomsten uit de mijnbouw in het Ertsgebergte, zo bijvoorbeeld in Saksen vanaf 1471 de Albrechtsburcht in Meißen of vanaf 1568 het jachtslot Augustusburg.

Rond het midden van de 16e eeuw had de mijnbouw in het Ertsgebergte technologisch en economisch een wereldwijde toppositie veroverd en het Ertsgebergte was het centrum van de mijnbouw geworden in centraal Europa.  De intensieve mijnbouw van de 16e eeuw leidde tot een andere naamgeving van het tot dan toe als “Boheemse Woud” of “Boheems Gebergte” genaamde gebied in Ertsgebergte. De benaming Ertsgebergte werd voor het eerst gebruikt in 1527 in de mijnbouwdossiers.

Naast het zilvererts, waarvan de winning in de jaren rond 1530 een hoogtepunt bereikte, werden er in het Ertsgebergte in de 15e/16e eeuw ook nog andere ertsen zoals tin, koper, ijzer en kobalt gedolven en verwerkt. Het begin van de 2e mijnbouwfase in het Ertsgebergte gaat vooral ook gepaard met een nieuwe opbloei in de tinertswinning in het oostelijke Ertsgebergte aan beide kanten van de Saksisch-Boheemse grens. Graupen (Krupka) kreeg in 1464 de eerste mijnbouwverordening in het oostelijke gedeelte van het Boheemse Ertsgebergte. In de 1514 tot 1518 ontstond er een gemeenschappelijke mijnbouwverordening voor Altenberg, geising, Mückenberg en andere tingroeves, die vooral georiënteerd waren aan Graupen (Krupka).

In de 16e eeuw werd de kern van de tindelving verplaatst naar het westelijk gedeelte van het Ertsgebergte, waarna de reeds uit kleinere vindplaatsen met de zich snel ontwikkelende delving in de nieuwe gebieden, met name in Hengstererben (Hřebečná), Platten (Horní Blatná), bij Gottesgab (Boží Dar) en op andere plaatsen werd begonnen. Het Boheemse gedeelte van het Ertsgebergte ontwikkelde zich, samen met Schlaggenwald in het Kaiserwald ten zuiden van het Ertsgebergte, tot de grootste tinproducent in continentaal Europa. De Boheemse tin verdrong bij tijd en wijle zelfs de tinleveringen uit de Britse mijnen. De hoogste productiecijfers werden er in de jaren van 1550 tot 1570 behaald, daarna nam de productie af.

De derde mijnbouwperiode: Oorlog en wederopbouw (1620-1750)

De Dertigjarige Oorlog had tragische gevolgen voor de economie en de maatschappij in het Ertsgebergte. Vooral de mijnbouwsteden van het Ertsgebergte hadden te leiden onder het oorlogsgebeuren. Grote schade werd vooral berokkend door plunderingen. Veel steden werden in de loop van de oorlog plat gebrand (bijv. Graupen, Kupferberg) of leden zware schade (Freiberg, Joachimsthal). Talrijke mijnen werden vernietigd of kwamen in verval door onvoldoende onderhoud. Door de vernieling van de mijnbouw- en hoogoveninstallaties evenals door het belageren en brandschatten van talrijke mijnbouwsteden gedurende de Dertigjarige Oorlog kwam de mijnbouw praktisch in het gehele Ertsgebergte vergaand tot stilstand.

Weiter

Speciaal voor het Boheemse Ertsgebergte, dat sinds de jaren ’20 van de 16e eeuw overwegend protestant was, betekende de na 1620 door de Habsburgers doorgedrukte, geweldige rekatholisering een zware schok. Uiteindelijk leidde tot een politieke, economische en culturele splijting van het Ertsgebergte in een katholiek Boheems en een protestants Saksisch gedeelte, waarvan de ontwikkeling op zijn laatst sinds de jaren 1650 aparte wegen ging. De spoedig daarna beginnende wederopbouw van de staat en economie stond zowel in Bohemen als in Saksen geheel in het tegen van het absolutisme.

Slechts in weinig regio’s van het Boheemse Ertsgebergte kon tijdens en na de oorlog de mijnbouw in stand worden gehouden. In de tinmijnen van Hengstererben kon de winning, zij het in bescheidenere omvang dan in de 16e eeuw, worden voortgezet. De ondergrondse delving van tinerts in het aangrenzende Platten daarentegen beperkte zich tot een minimum en werd overwegend slechts door de winning van tinsteen door verzepingswerk in leven gehouden. Over het geheel gezien stortte de Dertigjarige Oorlog de mijnbouw in het Boheemse Ertsgebergte in een diepe en langdurige crisis, die door de spoedig beginnende strenge contrareformatie nog werd verergerd. De reactie daarop was het vertrek van vele protestantse families naar Saksen, onder andere vanuit Platten en de aangrenzende mijnbouwsteden, waar ze aan het begin van 1654 met toestemming van de Saksische Keurvorst vlak bij de grens naar Bohemen de jongste mijnbouwstad van het Ertsgebergte, Johanngeorgenstadt, oprichtten.

In Saksen moesten tengevolge van de algemene neergang van de mijnbouw na de Dertigjarige Oorlog mijnwerkers en hun gezinnen in het Ertsgebergte veelal uitwijken naar andere takken van inkomsten. Dit leidde in het Saksische Ertsgebergte tot de opkomst van nieuwe, met de mijnbouw min of meer nauw verbonden bedrijfstakken, zoals de speelgoedproductie in de regio Olbernhau-Seiffen, het serpentijnen draaiwerk in Zöblitz of de posamenten##- en kantklosvervaardiging in de regio Annaberg en Schneeberg, die de grondstoffen uit de regio evenals het beschikbare potentieel aan arbeidskrachten benutten. De speciale vaardigheden en kennis van de mijnwerkers vormen hierbij de basis voor de vorming van een vroeg centrum van de uitgeverij- en manufactuurproductie in het Saksische Ertsgebergte. Deze ontwikkeling profiteerde niet in de laatste plaats door de massieve toestroom van Boheemse bannelingen, die met hun vaardigheden en kennis de nijverheidsstructuur van het Saksische Ertsgebergte in aanzienlijke mate verbeterden. Daarmee gingen directe impulsen gepaard naar een opleving van de mijnbouw aan de Saksische kant, zoals de voorbeelden van de stichting van Johanngeorgenstadt (1654) of de vakbond „Zwitterstock zu Altenberg“ (1663) laten zien.

Een belangrijke opleving deed zich voor tengevolge van de in de oorlogsjaren van 1625 tot 1635 bestaande afzetcrisis voor kobalterts vanaf 1635 de productie van blauwe kleuren in het Saksische Ertsgebergte. Tot 1650 werden manufacturen voor blauwe kleuren in Niederpfannenstiel, Jugel, Oberschlema, Sehma en bij Zschorlau (Schindlers fabriek) opgericht, die tot 1694 in het kader van een blauwekleur-combinatie samen gingen en daardoor een wereldwijde monopolypositie bereikten bij de vervaardiging van blauwe kleuren, die pas in de 19e eeuw door de ontwikkeling van de synthetische winning van de kleurstof ultramarijn (1828) werd doorbroken. Schindlers fabriek bij Zschorlau zet tot op de dag van vandaag deze grote traditie van de vervaardiging van blauwe kleuren in het Ertsgebergte – sinds 1855 echter van kunstmatige ultramarijn – voort.

Ook in Saksen werd de door de Dertigjarige Oorlog veroorzaakte crisis in de mijnbouw van het Ertsgebergte aan het einde van de 17e en begin van de 18e eeuw in het teken van het absolutisme geleidelijk aan overwonnen. In 1702 werd in Freiberg in het Oberbergamt (mijnbouwdienst) de stipendiumkas ter bevordering van de praktische wetenschappelijke opleiding van Saksische mijnbouwambtenaren opgericht, waaruit uiteindelijk in 1765 de Mijnbouwacademie Freiberg zou voortkomen.  

Niet alleen in de regio Freiberg werden rond de overgang van de 17e naar de 18e eeuw nieuwe mijnen in bedrijf genomen. In 1698 konden bij Aue kaolinevoorraden worden ontsloten, die de grondstofbasis vormden voor de ontwikkeling van het Europese harde porselein door Johann Friedrich Böttger (1682-1719) en andere aan het begin van de 18e eeuw in Saksen. Het zilver en als grondstof voor de porseleinvervaardiging dienende kaoline uit het Saksische Ertsgebergte leverde een niet onaanzienlijke bijdrage om de kostbare hofstaat evenals de uitgebreide gebouwen en kunstverzameling van Kurfürst August II. (1660-1733) in Dresden te financieren.

De vierde mijnbouwperiode: Beginnende industrialisatie (1750-1850)

Na de door het oorlogsgebeuren van de Zevenjarige Oorlog nog nijpender geworden economische teloorgang van Saksen in de eerste helft van de 18e eeuw beleefde de mijnbouwproductie in het Ertsgebergte vanaf ongeveer 1770 een hernieuwde opleving. In deze vierde hoofdperiode bereikte de mijnbouw tengevolge van het delven van armere ertsen weliswaar niet meer het rendement als in de 16e eeuw, kreeg echter kwalitatief gezien met de oprichting van de mijnbouwacademie in Freiberg in 1765 fundamenteel nieuwe wetenschappelijke en technologische impulsen, die uiteindelijk zijn overgang naar het industriële tijdperk mogelijk maakte.

Weiter

In de daaropvolgende decennia werd het gehele mijnbouw- en hoogovenwezen gereorganiseerd. Primair vond er een technische modernisering van het mijnbouwwezen plaats. De oprichting van de mijnbouwacademie in Freiberg droeg er in grote mate toe bij dat de delving, de opwerking en het smelten van de ertsen op een solide wetenschappelijke basis werden geplaatst.

Vooraf nog weinig gebruikte ertsen zoals wismoet, kobalt, nikkel, zilver of uranium kregen in deze periode meer betekenis. De mijnbouw in het Ertsgebergte bleef voor Saksen een niet te onderschatten economische factor. Kwantitatief verloor de Saksische ertsmijnbouw in de 19e eeuw weliswaar internationaal en nationaal aan belang, in zijn kwalitatieve betekenis bestaat hij echter tot op de dag van vandaag voor talrijke technische innovaties in het belang van de wetenschappelijke vooruitgang.

Er werden nieuwe technologisch en wetenschappelijk gefundeerde delvings- en hoogovenmethoden ingevoerd. Het gebruik van verbeterde transport- en waterbeheertechniek maakte de mijnbouw op grotere diepte mogelijk en zodoende een breder gebruik van de aanwezige vindplaatsen. Met de technische modernisering en de door de staat gesubsidieerde uitbreiding van de infrastructuur, zoals bijvoorbeeld bij de bouw van het ertskanaal in het Freiberger Nordrevier (ingebruikname 1789) of de bouw van de Rothschönberger Stolln (1844 tot 1877) voor het ontwateren van het Freiberger-gebied werd de poging ondernomen om de neergang van de ertsmijnbouw tegen te gaan. Uiteindelijk dankte de nauwelijks nog rendabele ertsmijnbouw in het Ertsgebergte zodoende zijn bestaan in toenemende mate alleen nog aan de intensieve participatie en steun door de Saksische staat.

Hetzelfde gold voor het hoogovenwezen in het Ertsgebergte, dat inmiddels door het opgeven van onrendabele standplaatsen zoals bijv. van de Antonshütte in het westelijk Ertsgebergte geheel op de beide centrale standplaatsen Muldenhütten en Halsbrücke bij Freiberg werd geconcentreerd. Aan de mijnbouwacademie werden nieuwe smeltprocedés op basis van wetenschappelijk-chemisch onderzoek ontwikkeld, die bij de modernisering van de staatszilverhoogovens konden worden toegepast.

In Aue lukte in 1823 de vervaardiging van argentaan (nieuwzilver) uit nikkel, zink en koper, voor de productie waarvan in 1829 in Auerhammer een eerste fabriek werd ingericht. Onder de beschermde naam Alpaka werden in Aue in aanzienlijke omvang tafelinstrumenten en sieraden vervaardigd. Hierbij kon de reeds in het Ertsgebergte aanwezige traditionele bestekproductie in een nieuwe kwaliteit en kwantiteit worden voortgezet.

Als nieuwe tak van de Saksische mijnbouw begon in de eerste helft van de 19e eeuw tenslotte de steenkolenmijnbouw in de randzones van het Ertsgebergte in de Plauensche Grund bij Dresden, in het Zwickauer en in het Lugau/Oelsnitzer gebied op particuliere basis op het destijds modernste technisch niveau zich te ontwikkelen. Hij zou een belangrijke basis worden van de nu in hoog tempo tot ontwikkeling komende industrialisatie in Saksen. De algemene ontwikkeling van de Saksische industrie , met name van de machinebouw, was rechtstreeks van invloed op de in de mijnbouw gebruikte techniek en profiteerde anderzijds ook direct van de mijnbouw en de daar ontwikkelde technologieën. Het is geen toeval dat de eerste door Richard Hartmann (1809-1878) in Chemnitz gebouwde locomotief „Glück Auf“ heette, terwijl de door de Freiberger kunstmeester Brendel geconstrueerde stoomtransportmachine van de mijn Alte Elisabeth in Freiberg door de Maschinebouwfirma Pfaff uit Chemnitz werd gebouwd.

De vijfde mijnbouwperiode: Liberalisering van de mijnbouw (1850-1945)

De volgende periode van de mijnbouw in het Saksische Ertsgebergte werd gekenmerkt door laatste pogingen om de zich sinds vele jaren aftekende neergang vooral van de zilvermijnbouw tegen te houden. in 1871 werd met de stichting van het Duitse Keizerrijk de gouden munt ingevoerd, waardoor de prijs van zilver verder daalde. Van de kant van de Saksische staat probeerde men deze ontwikkeling door een diepgaande hervorming van het mijnbouwbestuur evenals organisatorische en technische moderniseringen tegen te gaan of hem toch tenminste te vertragen.

Weiter

Rond 1870 waren er alleen al in het Freiberger gebied nog 5.000 mijnwerker actief. Maar ook de voltooiing van de Rotschönberger Stolln in 1877 als grootste en belangrijkste Saksische mijn, die voor het ontwateren van het gehele Freiberger gebied diende, kon de neergang niet tegenhouden. Ondanks alle maatregelen bleef de ertsmijnbouw echter verlies geven. In 1903 werd daarom de principiële beslissing genomen om de Freiberger ertsmijnen te sluiten, hetgeen in 1913 tot de planmatige sluiting van het merendeel van de mijnen leidde.

Heel anders daarentegen ontwikkelde zich de steenkolenmijnbouw in de drie grote Saksische gebieden, die een belangrijke basis voor de industrialisatie van Saksen vormt in deze periode. Aan de noordelijke kant van het Ertsgebergte behoorde daartoe het steenkolengebied van Lugau-Oelsnitz met belangrijke mijncomplexen zoals bijv. de in 1869/74 uitgegraven Kaiserin-Augusta-Schacht, die sinds begin van de ’20-er jaren van de vorige eeuw uitgebreid werd gemoderniseerd en wat betreft zijn capaciteit aanzienlijk werd uitgebreid.

Een herleving maakte de ertsmijnbouw in het Saksische Ertsgebergte pas door in het teken van de pogingen van de nationaal socialisme om van het buitenland onafhankelijk te worden en in het kader van de herbewapening van Duitsland in de ’30-er jaren. Ten behoeve hiervan werd in 1937 de „Sachsenerz Bergwerks AG“ opgericht, die diende ter hervatting van de non-ferromijnbouw in het Freiberger en in andere gebieden. Dit leidde in het Ertsgebergte tot de stichting van nieuwe mijnen voor het ontginnen van strategisch belangrijke bodemschatten, waaronder verschillende staalveredelende metalen zoals wolfraam, nikkel of mangaan. Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog waren zowel de ertsmijnbouw als de steenkolenmijnbouw in het Ertsgebergte van groot strategisch belang.

Het begin van de vijfde mijnbouwfase in het Boheemse gedeelte van het Ertsgebergte wordt door meerdere belangrijke gebeurtenissen gedefinieerd. In 1850 werd de staat de bijna enige mijnbouwonderneming in Joachimsthal, nadat hij van de stad de mijn Einigheid (Svornost) had gekocht. De navolgende reorganisatie van het bestuur en de wijziging van de technische uitrusting van de mijnen in dit gebied vormde de basis voor de verdere winning van zilvererts, maar ook voor de voor het eerst in grotere omvang uitgevoerde uraniumertsdelving.

Doorslaggevend voor de verdere ontwikkeling van de mijnbouw in Joachimsthal waren met name de uraniumertsen, die in de tweede helft van de 19e eeuw en ook later voor de uitgebreide productie van de uraniumkleuren diende, die vanaf 1850 in een nieuwe, maar niet meer bestaande fabriek, midden in de stad werden vervaardigd. Verder wonnen de mijnen van Joachimsthal aan betekenis nadat de Franse natuurkundige H. Becquerel in 1896 de van radioactieve stoffen uitgaande straling had aangetoond en M. Sklodowska-Curie 1898 in afvalstoffen uit de Joachimsthaler Uraiumkleurfabriek de beide nieuwe chemische elementen polonium en radium had geïsoleerd. De mijnen van Joachimsthal waren aan het begin van de 20e eeuw de enige uraniummijnen ter wereld. Na het ontdekken van de geneeskrachtige werking van het radioactieve mijnwater ontstond in Joachimsthal in 1906 het eerste radium- resp. radonkuurbad ter wereld.

De economische opbloei van de Boheemse landen en daardoor ook van het Ertsgebergte werd in de jaren 1914 tot 1918 door de Eerste Wereldoorlog sterk onder druk gezet. De militarisering van de industrie aan het begin van de oorlog ging weliswaar gepaard met een tijdelijke herleving van de wolfraamertswinning in Graupen en Zinnwald en van de ijzererts- en mangaanertsdelving in Platten, maar over het geheel gezien leed de economie tengevolge van de oorlog enorme verliezen.

Na het ontstaan van Tsjecho-Slowakije  in 1918 werden er nog pogingen ondernomen om enkele mijnen in het Ertsgebergte weer tot leven te brengen, met uitzondering van de uraniumertswinning in Joachimsthal kwam de ertsmijnbouw praktisch tot stilstand. 

De zesde mijnbouwperiode: Mijnbouw in de tijd van het socialisme (1945-1990)

Na de Tweede Wereldoorlog kregen naast de Boheemse ook de Saksische uraniumvoorraden in het Ertsgebergte in verband met de ontwikkeling van Sovjetse kernwapens een zeer grote strategische betekenis. Vlak na de oorlog begon er daarom ook in het Saksiche Ertsgebergte een intensieve zoektocht naar uraniumerts. Het grootste gedeelte van de door de gevolgen van de oorlog relatief weinig vernielde schacht- en mijninstallaties van de mijnbouw in het Ertsgebergte werd na 1945 onder het bestuur van het Sovjetse Militaire Bestuur in Duitsland (SMAD) geplaatst die in grote omvang naar uraniumertsvoorraden begon te zoeken.

Weiter

Onder de schuilnaam “Staatliche Aktiengesellschaft der Buntmetallindustrie” “Wismut” (AG Wismut) werd er met de delving van de rijke uraniumvoorraden ten dele in de oude mijnbouwregio’s, ten dele ook in andere diepe schachten in het westelijk gedeelte van de het Ertsgebergte begonnen. Het Saksische Ertsgebergte maakte met de vanaf 1946 beginnende uraniummijnbouw een uitzonderlijke mijnbouwperiode door. Deze midden in het dicht bewoonde Ertsgebergte geëxploiteerde mijnbouw, waren honderdduizenden mijnwerkers werk vonden, was wereldwijd uniek. Hierdoor werd de regio danig veranderd. Voor de derde keer in de geschiedenis stroomden er duizenden mensen naar het Ertsgebergte om een nieuw bestaan op te bouwen. In de beginjaren werden er weliswaar nog politieke gevangenen en criminelen gedwongen om uranium te delven, maar speciale voordelen zoals een betere verzorging met voedingsmiddelen en consumptieartikelen, hogere lonen en een betere gezondheidszorg door de Wismut-fabriek trokken van begin af aan ook talrijke vrijwilligers naar het Saksische Ertsgebergte. Er kwam onder de controle van  de Wismut in het Ertsgebergte “een staat in de staat” van de van de nieuwe Duitse Democratische Republiek tot ontwikkeling met eigen partij- en staatsveiligheidsorganisatie en eigen verkeers- en verzorgingsvoorzieningen.

Terwijl in 1946 slecht 15,7 ton uranium werd geproduceerd, was dat een jaar later reeds 145 ton. Op 29 augustus 1949 werd de eerste Sovjetse atoombom tot ontploffing gebracht, waarvan de bouw door het in het Ertsgebergte gewonnen uraniumerts überhaupt pas mogelijk werd. De AG Wismut werd de belangrijkste uraniumproducent in het machtsgebied van de USSR. De centra van de uraniumwinning ware aanvankelijk de historische mijnbouwgebieden rond Johanngeorgenstadt, Schneeberg en Schlema. Johanngeorgenstadt werd een van de belangrijkste uraniummijnbouwcentra van het Duitse gedeelte van het Ertsgebergte. De intensiteit van de mijnbouw leidde ertoe dat veel grote vindplaatsen binnen de kortste keren uitgeput raakten. Er werden andere uraniumvindplaatsen ontsloten. In Thüringen in de omgeving van Ronneburg vonden Wismut-geologen uraniumvoorraden, die zelfs in dagbouw konden worden gedolven. Zo werd het mijnbouwgebied steeds meer vanuit het Ertsgebergte verplaatst naar het aangrenzende Thüringen. AG Wismut werd vervolgens in 1954 van een zuiver Sovjetse in de Sovjets-Duitse Aktiengesellschaft (SDAG) omgezet. Tot 1953 ging de winst van SAG Wismut als oorlogsvergoeding naar de Sovjet-Unie. In deze periode had men ongeveer 10.000 ton uraniumerts gedolven. Met het einde van de DDR en de toetreding van Oost-Duitsland tot de BRD werd na 1990 de mijnbouwexploitatie van SDAG Wismut beëindigd. Enerzijds was uraniumerts niet langer in grote hoeveelheden nodig, anderzijds werd het onrendabel om nog langer te concurreren met de Saksische uraniummijnbouw op de vrije markt. Na de politieke omwenteling hield de inmiddels in staatseigendom zijnde Wismut GmbH zich met eveneens ongekende sanering van de erfenis van de uraniummijnbouw en van de uraniumverrijkingsinstallaties bezig. Tot 1990 werden er alleen in Schlema en Pöhla nog uraniumertsen gedolven. In totaal werd er door AG Wismut in de Oost-Duitse uraniumertsmijnbouw 231.000 ton uraniumerts gewonnen. Een groot gedeelte ervan was afkomstig uit voorraden in het Ertsgebergte.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werden er in 1945/46 met het herstel van Tsjecho-Slowakije  Duitse inwoners uit het Boheemse Ertsgebergte verdreven, verstoten resp. elders gevestigd terwijl er Tsjechen in deze regio werden gevestigd. Reeds vlak na de oorlog waren alle mijnen genationaliseerd en particulier ondernemerschap in deze bedrijfstak werd verboden. In de ’50-er en ’60-er jaren van de vorige eeuw werden in het Boheemse Ertsgebergte de meest bekende vindplaatsen opnieuw geëxploreerd en in enkele ervan werd ook daadwerkelijk weer begonnen met het delven van erts.

Een heel specifieke rol in de mijnbouwgeschiedenis in de naoorlogse tijd speelde uraniumertswinning. In mei 1945 werden de Joachimsthaler mijnen weer bezet door soldaten van het Rode Leger. Georganiseerd werd het geheel door de Commandatuur van het Rode Leger in het Duitse Annaberg. Naast Joachimsthal werden daardoor ook de weidere omgeving van Annaberg en Johanngeorgenstadt getroffen.

Na intensieve aanwervingsactiviteiten kwamen er geleidelijk aan mijnwerkers, maar ook nieuwe burgers uit heel Tsjecho-Slowakije naar Joachimsthal. Eind 1947 werkten er hier zo’n 3.750 mensen. Maar zelfs deze toename van arbeidskrachten was geen garantie voor een sterkere toename van de productiecapaciteiten volgens de voorstellingen van de Jáchymover Commissie. Nog voor februari 1948 begonnen de uit de USSR hier naartoe getransporteerde Duitse krijgsgevangenen met hun “dienst” in de volkseigen onderneming Jáchymovské doly (in totaal 12.000 personen; begin 1949 werden ze langzamerhand naar Duitsland “afgevoerd”). Bij de mijnen werden gevangenenkampen gebouwd, waarvan het interne regime, de evidentie## en overige organisatorische zaken door medewerkers van de Sovjetse veiligheidsorganen werden gecontroleerd.

Vanaf februari 1948, na de regeringsovername door het communistische regime, kwam er in de Joachimsthaler mijnen een opbloei in de ertswinning tot ontwikkeling die er tot dusver nog nooit was geweest, en die in de geschiedenis van de Boheemse mijnbouw zijns gelijke niet kent. De arbeidskrachten voor Joachimsthal werden nu met behulp van concentratie- en strafgevangenenkampen veilig gesteld, die vlak naast de uraniummijnen werden gebouwd. Van dit tijdperk van de mijnbouw getuigt nu nog de Rode Toren des Doods.

Door mijnbouwactiviteiten werden er in de gehele geschiedenis van het gebied meer dan 8.000 ton uranium in het erts gewonnen, waarvan 7.200 ton uranium onder de regie van het volkseigen bedrijf Jáchymovské doly. Naar radioactieve grondstoffen zocht men kort na de Tweede Wereldoorlog niet alleen in het gebied rond Joachimsthal, waartoe ook Abertham behoorde, maar ook in enkele ander gebieden, zo bijvoorbeeld in Gottesgab, Kupferberg, Preßnitz, Frühbuß en Bleistadt, echter met zeer bescheiden succes.

Welterbe Montanregion Erzgebirge e.V.

c/o Wirtschaftsförderung Erzgebirge GmbH

Adam-Ries-Straße 16
09456 Annaberg-Buchholz

tel: (+49) 3733/145 0
fax: (+49) 3733/145 145
e-mail: kontakt@montanregion-erzgebirge.de